Dorpsnieuws

Joost JansenLaten we eens stilstaan bij water. Wanneer we spreken over het doopsel, of het nu van Jezus is of van die kleine Melvin of de kleine Charlotte: water is de basis. Moeten we nooit vergeten. We gaan er soms te snel aan voorbij. In alle godsdiensten en wereldbeschouwingen zien we dat mensen met water omgaan.

Als Nederlanders weten we maar al te goed hoe weldoende én gevaarlijk water kan zijn. Wij zijn de waterspecialisten van de wereld. We weten het water te managen.

Dat brengt mij op een bijzondere insteek voor het feest van vandaag, het doopsel van Jezus. Weet ook ik het water te managen, het water dat zoveel jaar geleden over mijn hoofd is gegoten waardoor uitgedrukt wordt dat ik ‘kind van God ben’? Dat is toch het doel van het doopsel! Straks ga ik weer een kindje dopen en ik hoop dat dit doopsel een vervolg heeft en dat het niet alleen is voor het doopfeest. Wat zal ik gaan zeggen?

Ik ga iets zeggen dat het bij een doopsel gaat om een belangeloos gebaar. Natuurlijk giet ik het water over het hoofdje maar ik geloof (en ben er ook van overtuigd) dat God dit kind aanneemt als zijn kind. Heeft God dan niets van doen met alle ongedoopte kinderen, misschien wel onder jullie kleinkinderen? Natuurlijk heeft Hij er mee te maken. Het is echter vruchtbaarder wanneer je van elkaar weet hebt, wanneer je elkaar kent, wanneer je met elkaar spreekt en bij God hebben we het dan over bidden. Een relatie die niet wordt aangegaan en niet onderhouden wordt, is geen relatie.

Wat ga ik nog meer zeggen? Dat met het doopsel je in een groter geheel wordt opgenomen: in de kerk. De kerk als grote gemeenschap van mensen die mondiaal en met z’n allen de blijde boodschap van Jezus uitdragen. Ze doen dat door hun manier van leven en door hun spreken. Doet iedere gedoopte dat? Neen, maar met z’n allen – de een wat meer, de ander wat minder – dragen we toch samen een blijde boodschap uit die ook nog zoden aan de dijk zet. Veel zorg aan kwetsbare mensen wordt bijvoorbeeld gedaan vanuit een gelovige dynamiek. We hebben het over de werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen opnemen, zieken en gevangenen bezoeken, doden begraven. Lijkt me aantrekkelijk en uitdagend om van zo’n organisatie deel uit te maken.

Ik ga nog iets zeggen. Ik heb het altijd over iets heel kwetsbaars. Wie gedoopt is, heeft als het ware een zaadje van God in zijn binnenste ontvangen en dat zaadje kan een mooie plant voortbrengen. Die plant ontwikkelt zich alleen als het voldoende water krijgt (alweer dat water!), als er voldoende licht is (we steken bij het doopsel altijd de paaskaars aan), als er liefdevol mee wordt omgesprongen. Het ontvangen van het doopsel is dus slechts een begin, er ligt een hele weg voor dat kindje open.

Deze drie punten lijken me voorlopig voldoende. Het is al een heel programma. Niet alleen voor Josje die ik rond twaalf uur ga dopen, maar ook voor ons allemaal. Ik denk dat u allen gedoopt bent, voor velen in een ver verleden. Hoe is het sindsdien gegaan? We komen uit een tijd dat geloof en het gaan naar de kerk vanzelfsprekend was. Die tijd is voorbij. We zijn echt in een andere tijd terecht gekomen. Niet zomaar wat veranderingen, neen, gewoon een hele andere tijd. Die dan ook vraagt om een andere instelling van je geloven.

Paus Franciscus heeft het over een kerk als  ‘veldhospitaal’ waar gewonde en kwetsbare mensen worden binnengebracht. Dat is andere koek. Wat heb je daarvoor nodig. Ik denk heel eenvoudig: je eigen geloof onderhouden. Af en toe een gebedje overdag, bijvoorbeeld bij de maaltijd. Soms eens iets lezen dat geen ‘pulp’ is en naar een televisieprogramma kijken waarin de juiste vragen worden gesteld. Jammer dat die altijd laat op de avond komen. Maar we hebben altijd nog ‘uitzending gemist’. Niet met de wolven in het bos meehuilen maar je mening durven geven als het gaat over de ‘zaken des levens’. Dat komt allemaal voort uit het feit dat onze ouders ons een keer hebben laten dopen én dat wij er zelf ja op hebben gezegd. We hebben dan ook ‘ja’ gezegd op God. En wat zeggen we dan?


Joost Jansen, pastoor

Plaats reactie